Oproep voor medische innovatie in Europa

Samenwerking tussen publieke en private sectoren is nodig om innovatie te stimuleren.

De spelers die actief zijn in medische innovatie in Europa hebben een oproep gelanceerd om het beleid te veranderen: om de economische groei niet af te remmen, moeten de Europese wetgevers de samenwerking bevorderen en de patiënten centraal stellen.

Volgens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) heeft de Europese Unie (EU) in 2009 1,91% van haar BBP – de waarde van alle geproduceerde producten en diensten – besteed aan onderzoek en ontwikkeling (O&O), veel minder dan de Verenigde Staten (2,82%) en Japan (3,36%).

In 2010 heeft de Europese Commissie gereageerd met de lancering van een ambitieuze groeistrategie —Europa 2020— die tot doel heeft de O&O-investeringen op te trekken tot 3% van zijn BBP tegen 2020. Volgens de ramingen van de Commissie zou dit plan 3,7 miljoen banen creëren en het jaarlijks BBP met 795 miljard euro verhogen.

De resultaten zijn vandaag eerder beperkt. Hoewel het de goede richting uitgaat, bedragen de investeringen van de EU slechts 1,96%. In dezelfde periode heeft China de investeringen verhoogd van 1,70% tot 1,99% en presteert het voor het eerst beter dan de EU in dit domein.

 

 

Chart_International

EEN RIJZENDE STER

China besteedt een groter percentage van het BBP (bruto binnenlands product) aan investeringen in onderzoek en ontwikkeling (O&O) dan de EU

 

 

Michael Jennings, woordvoerder voor onderzoek van de Commissie, verklaarde in Nature News: “De Europese Commissie waarschuwt al lang dat China zijn achterstand in O&O-investeringen inhaalt. De EU moet reële inspanningen leveren om de O&O-uitgaven in de overheidssector, maar vooral in de privésector te verhogen.”

Maar de bureaucratie blijft een spelbreker. De Richtlijn van 2001 betreffende klinische studies heeft bijvoorbeeld de termijn en de uitgaven die noodzakelijk zijn om  klinische studies uit te voeren verhoogd. Na een voorstel om de richtlijn aan te passen, heeft dit beleid ertoe geleid dat het aantal aanvragen voor klinische studies in Europa tussen 2007 en 2011 met 25% is gedaald.

In sommige gevallen hebben de instellingen voor prijscontrole, zelfs als de innovatie werd gerealiseerd, de patiënten de toegang tot de nieuwe geneesmiddelen belet. Marion Kronabel, directrice van de EAPB (European Association of Pharma Biotechnology), waarschuwt: “Dit kan een impact hebben op de innovatie, want een daling van de prijzen van de geneesmiddelen zal de biofarmaceutische bedrijven ertoe aanzetten om minder in O&O te investeren. Na deze wijziging van het beleid hebben verscheidene laboratoria immers geweigerd om nog producten te lanceren in bepaalde landen.”

“In Europa bestaat geen proces voor de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen dat even efficiënt is als dat van de Verenigde Staten of Japan,” zegt Constance Bagley, hoogleraar aan de Yale School of Management. “Er zijn bijvoorbeeld beperkingen op het gebruik van de resultaten van universitair onderzoek dat met overheidsgeld wordt gefinancierd. Wetenschappers toelaten om een eigen onderneming op te richten of de resultaten van hun onderzoek te verkopen of het gebruik ervan toe te staan onder licentie is veel minder gebruikelijk dan in de Verenigde Staten.”

Volgens een rapport van het consultancybedrijf Pugatch Consilium kan een beleid dat de samenwerking tussen de overheid en de privésector steunt, nuttig zijn. Het rapport wijst er bijvoorbeeld op dat de integratie van overheids- en privéfinancieringsbronnen voor de gezondheidszorg de patiënten meer therapeutische opties zou bieden en tegelijk de innovatie en de concurrentie zou bevorderen. Er zou bovendien meer moeten worden geïnvesteerd in programma’s zoals het Initiatief voor innovatieve geneesmiddelen (Innovative Medicines Initiative, IMI), een publiek-privaat onderzoeksprogramma voor de ontwikkeling van nieuwe behandelingen.

Er moeten ook duidelijke beleidsregels zijn voor de overdracht van technologie. Zweden heeft dit goed begrepen en behoort tot de landen van de EU die het meest investeren in O&O, ongeveer 3,40% van zijn BBP. De Zweedse overheid zag in hoe belangrijk de commercialisering van de onderzoeksresultaten is en heeft in 2008 in 8 universiteiten bureaus voor technologieoverdracht opgericht om de innovatie te bevorderen en de overdracht van academische kennis naar de privésector te vergemakkelijken.

Ondertussen discussiëren de universiteiten en de beleidsmakers van de andere lidstaten nog steeds over de mogelijkheid om technologieën te commercialiseren die werden ontwikkeld in het kader van met programma’s gefinancierd door de overheid. Constance Bagley vindt dat we dit moeten doen. Zij zegt: “Onderzoeksresultaten die levens kunnen redden in de bedrijven laten liggen omdat er onvoldoende financiële middelen zijn om ze te commercialiseren, is nog erger dan de sector moeten subsidiëren.”